De Founding Fathers van de USA en Dutch disease
(Dit is een toevoeging op het artikel ‘Weerbaarheid is geen toeval’).
Zonder enige pretentie dat ik verstand heb van geschiedenis, economie, politiek of industriebeleid is het toch interessant om even met behulp van Google en ChatGPT in het verleden te duiken.
Industriebeleid is van alle tijden
In 1776 tekenen de Founding Fathers de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Onafhankelijk van Engeland dat op dat moment dominant was in de wereld. Dominant vooral op industrieel gebied. Het industriebeleid van Engeland was erop gericht om hun koloniën bewust agrarisch en afhankelijk te houden. Sterker nog, Engeland onderdrukte bewust de Amerikaanse industrialisatie. Dat deed Engeland met protectionisme en zogenaamde vrijhandel.
Een aantal van de bekendste Founding Fathers hadden goed door dat eigen industrialisatie cruciaal was om te voorkomen dat ze slechts gezien werden als afzetmarkt voor Britse producten en een agrarische natie zouden worden; een leverancier van tabak, katoen en hout. Deze economische onderdrukking zou politieke vrijheid onmogelijk maken.
Met name Alexander Hamilton, één van de Founding Fathers, betoogde dat een natie altijd afhankelijk zal zijn en blijven zonder eigen industrie. Dat die eigen industrie ook nodig is voor militaire veiligheid. Hij pleitte toen al voor het beschermen van de eigen industrie met tarieven, voor direct staatssteun en diversificatie van de economie. Vooral bedoeld om de Britse suprematie te doorbreken. Economische afhankelijkheid, betoogde hij, leidt tot politieke chantage; Economische autonomie staat gelijk aan politieke vrijheid. Industrie was geen luxe, maar een verdedigingsstrategie.
Hamilton maakte er een samenhangend economisch staatsproject van, waar we vandaag nog van kunnen leren.
Een van de eerste maatregelen op dit gebied is de Tariff of 1789, met fikse tarieven op Britse industriële goederen, vaak 25 tot 50%. Lange termijn plannen zodat de jonge industrieën tijd kregen om te groeien. Hamilton noemde dat het infant industry argument.
Hamiltons model bestond verder uit een actieve rol van de staat op het gebied van de industrie stimuleren, kredieten verschaffen en infrastructuur bouwen. Via subsidies, belastingvoordelen en staatsaankopen bij Amerikaanse bedrijven. Ook kwam er een nationale bank, de Bank of the United States. Financiële soevereiniteit werd gezien als voorwaarde voor industriële soevereiniteit.
Het resultaat liet even op zich wachten, maar het bewust protectionistische en door de staat gestuurde industriebeleid werkte. Tegen het midden van de 19e eeuw was Amerika de grootste industriële producent ter wereld en was de Britse economie sterk afgenomen.
Copy Paste
Fast forward naar het heden. Want ook Trump kan Googelen (of laten Googelen). Wat Alexander Hamilton eind 18e eeuw zei over Engeland, zegt Washington nu over China. Met vergelijkbare acties. Beschermende handel via de ‘Trump-tarieven’, massale staatssteun via de Chips and Science Act en de Inflation Reduction Act (IRA), extra subsidies voor in de VS geproduceerde producten, technologische exportcontroles op chipmachines, AI-chips en high-tech kennis. Industrie = macht, niet alleen economie. Het infant industry argument van Hamilton heet nu ‘supply chain resilience’ en national security’. Wat toen bescherming tegen Engeland was is nu de-risking van China.
Maar ook China doet nu wat Amerika vroeger deed. Strategische sectoren selecteren, massale staatsfinanciering, binnenlandse markt beschermen en buitenlandse technologie binnenhalen via joint ventures. Ook voor China is industrie pure geopolitiek.
Oftewel: een kopie van het Hamiltoniaanse inzicht dat industriebeleid en economische macht de basis is van geopolitieke soevereiniteit.
Kunnen we hier nog wat mee in Nederland?
Dat begint met het inzien van het belang van de industrie. Dat is voor Nederland niet altijd logisch geweest. Dat was het wel direct na de 2e Wereldoorlog toen er een groot tekort dreigde aan buitenlandse deviezen en er een grote werkeloosheid heerste. Het beleid werd toen direct gericht op het op- en uitbouwen van de industrie, met name gericht op export. De wederopbouw periode zorgde voor bloei in de metaal, machine- en scheepsbouw. Maar ook de chemische industrie met bedrijven als Shell en DSM speelden een grote rol. De ontdekking van de gasbel in Groningen in 1959 gaf nog eens een flinke extra impuls. Maar de reactie daarna was helaas zodanig dat het eind jaren zeventig de economie boeken inging als Dutch Disease (de Hollandse ziekte). De aardgasbaten waren hoog, maar leidde tot een onbedoelde kettingreactie. De enorme export van gas resulteerde in een grote instroom van buitenlands kapitaal, met een sterke stijging in de waarde van de gulden tot gevolg. Deze extra inkomsten zorgden voor een grotere vraag naar diensten, waardoor prijzen en lonen stegen. Dit zorgde weer dat andere exportproducten veel duurder werden op de wereldmarkt. Met name de (arbeidsintensieve) industrie had hieronder te lijden. De industrie kromp, wat leidde tot werkeloosheid en een eenzijdige economie die ook nog eens kwetsbaar was voor schommelingen in de gasprijs. De focus in Nederland verschoof, wellicht onbedoeld, van industrie naar kenniseconomie. De oliecrisis in 1973 verergerde de kettingreactie extra door de stijgende aardgasprijzen. Ondertussen was Azië niet stil blijven zitten. Dus terwijl daar de industrie met lage lonen in opkomst kwam, stegen de lonen in Nederland. Met name de scheepsbouw had hier last van. Met onder andere het faillissement van RSV (Rijn-Schelde-Verolme) in 1983 tot gevolg.
Nederland is een klein land. Historisch gezien een handelsnatie. We zijn ook altijd een open land geweest. We zijn daardoor afhankelijk van onze relaties met ‘grotere machten’ en zullen dat altijd blijven. Eén op één copy-paste van het Hamiltoniaanse principe is waarschijnlijk niet mogelijk en ook niet verstandig. We zullen dus een strategische ‘vertaling’ moeten toepassen.
Niet breed protectionistisch, maar selectief. Bijvoorbeeld gericht op het sterke halfgeleider ecocysteem rondom ASML, ASM International, BESI, NXP, TNO en Brainport. Maar misschien ook wel rondom agrotech en foodtech. Denk aan de zaden, precisielandbouw, kassen technologie, waterbeheer, etc. Ook maritiem en defensie bieden nog kansen.
Nederland kan niet zomaar zelf tarieven heffen. Dus als we willen beschermen moet dat subtieler. Dat kan via overheidsopdrachten, staatsdeelname, beperking van strategische overnames, regulering, standaarden zetten die Nederlandse en Europese technologie bevoordelen, etc.
Ja, Nederland is goed in kennis en handel. Maar dat is niet voldoende en daar mag industriebeleid naast. Dat hadden de Founding Fathers ook snel door. Geen geopolitieke soevereiniteit zonder economische macht. Geen economische macht zonder industrie.
In Nederland hebben we uitstekende ecosystemen en daar zijn we goed in. Dus niet elk bedrijf redden, maar ecosystemen bouwen.
En we kunnen wel degelijk iets met onze kenniseconomie. We hebben hierdoor een unieke positie opgebouwd op het gebied van menselijk kapitaal. Ook hier is best wat protectionisme mogelijk, bijvoorbeeld tegen een brain-drain. Maar ook het versoepelen van visa- en vestigingsregels. En investeringen in technisch onderwijs. Talent is wellicht het staal uit de tijd van de Founding Fathers.
Nederland kan prima als regisseur of orchestrator fungeren voor Europa; de samenwerking in en met Europa faciliteren als technologisch brein of logistiek knooppunt. ASML als mooi voorbeeld, met Nederland voor het ontwerp en de machines en Duitsland en/of Frankrijk voor de productie van de chips.
Kortom, geen subsidies zonder strategie. Focus op de strategische industrieën. Vrijhandel levert geen veiligheid op en regels alleen bieden niet voldoende bescherming. Vooral niet alles zelf willen doen, maar onmisbaar worden in cruciale mondiale ketens.
