Zweden, de pensioenfondsen en industriekunde
Dit artikel is een toevoeging op het artikel Industriepolitiek – Weerbaarheid is geen toeval
Industriepolitiek staat weer op de agenda. Waarbij politieke steun ook iets anders kan zijn dan geld, bijvoorbeeld regelgeving, afzetgaranties, inkoop overeenkomsten, etc. Ook zal het nooit lukken om volledige onafhankelijkheid na te streven. Het gaat dus om de juiste keuzes om de machtsbalans in evenwicht te houden. Of zoals Peter Wennink het zegt: ‘Het gaat om strategische relevantie’.
We zagen al het succes van Airbus, maar er zijn meerdere leerzame voorbeelden zoals de Noorse olie- en gas industrie, de Franse nucleaire industrie, en het Nederlandse ASML.
De gemene deler van deze successen lijkt een combinatie van lange termijn commitments, focus op capaciteiten (niet alleen op bedrijven), sterke samenwerking met instituten (kennis, zowel als financiële instituten), en het behoud van marktprikkels.
Het doel moet dus steeds mark gedreven zijn (en niet gericht op prestige of banen), met een lange termijn horizon en behoud van concurrentie. Verder lijkt van belang dat de governance professioneel is en niet politiek; de politieke belangen mogen dus niet de overhand krijgen boven economische disciplines.
In zijn algemeenheid zou je kunnen zeggen dat succesvolle industriepolitiek draait om organisatie en niet om bescherming.
Nederlandse pensioenfondsen kunnen een rol van betekenis spelen
Interessant hierbij is het ‘Zweedse model’ dat genoemd wordt in het interview met Rob van den Heuvel waar ik in mijn eerdere artikel naar refereerde, en waarvan een deel hieronder is opgetekend.
Zweden heeft vooral een indirecte en strategische industriepolitiek met (nog steeds) grote invloed van grote private financiers zoals de Wallenberg familie. Er is hierdoor weinig directe sturing van de overheid per bedrijf, maar er zijn wel duidelijk strategische keuzes. De Wallenberg familie controleert via Investor AB en ‘haar bank’ SEB grote belangen in industriële bedrijven zoals ABB, Saab, Ericsson, AstraZeneca, Wärtsilä, Electrolux. En voorheen ook Volvo en Scania. Samen vertegenwoordigen deze bedrijven een zeer groot deel van de Zweedse R&D uitgaven en export. Een vorm van subtiele, geïnstitutionaliseerde maar politiek legitieme manier van industriepolitiek. Geen ‘achterkamertjesmacht’ maar structureel onderdeel van het Zweedse economische model. Deze historisch zo ontstane ‘Wallenberg rol’ heeft het voordeel dat zij hun focus hebben op de lange termijn en op technologische competenties en strategische industrieën. Bovendien nemen zij risico’s die puur private investeerders vaak vooral mijden. Omdat dit goed past bij het Zweedse beleid, trekken ze de overheid mee en investeren ze naast de staat en niet in plaats van.
Jammer dat we zoiets in Nederland niet hebben, maar wellicht kunnen de rijke Nederlandse pensioenfondsen toch ook iets betekenen? Die beheren samen bijna 1900 miljard Euro, tegenover ongeveer 100 miljard van Investor AB, het investeringsfonds van de Wallenbergs. De Nederlandse pensioenfondsen zijn dus minstens even financieel dominant, maar helaas nu nog erg industrieel terughoudend in tegenstelling tot de Wallenbergs.
Juist de pensioenfondsen zouden kunnen helpen bij het lange termijn investeren in de kennis- en kapitaalintensieve industrie en bij het bouwen van nationale kampioenen. Al was het maar met 1 of 2% van hun vermogen. Meer focus op industrie en technologie en iets minder op rendement. Zweden heeft minder kapitaal, maar organiseert het strategisch. Wij hebben het kapitaal, dus ……
Slimme specialisatie is beter dan brede industriepolitiek
Wat Nederland betreft laat ASML zien hoe belangrijk het is om te focussen. Slimme specialisatie is beter dan brede industriepolitiek. “Alles belangrijk” is geen strategie. Goed dus dat ook vanuit het ministerie van Economische Zaken het belang van focus, massa en kiezen de nodige aandacht krijgt in de kamerbrief ‘Industriebeleid met focus’.
==============
Van industriekennis naar industriekunde
Dit is een deel uit het interview met Rob van den Heuvel, voormalig CFO Fokker en voormalig CEO de Schelde.
Het geheel overziend, welke lessen zou u willen meegeven aan de industrieën van vandaag en de nieuwe industrieën en startups?
Ik zou iedereen willen adviseren: samenwerken, samenwerken, samenwerken. Vooral Europees. Werk nauw samen met Frankrijk en Duitsland, daar zijn ze veel makkelijker met het ondersteunen van bedrijven en wij hebben een hoop kennis die zij zelf niet hebben en goed kunnen gebruiken. Zet in op Europees. Wat die enorme hoeveelheid kennis in Nederland betreft: we moeten veel meer focussen om die kennis om te zetten in kunde. Van industriekennis naar industriekunde.
En de rol van de overheid?
Dat vind ik een lastige, omdat ik tot 2 keer toe heb meegemaakt, bij Fokker en bij de Schelde, hoe de overheid zonder al te veel kennis van zaken beslissingen nam, of juist niet nam. Of hoe ze vaak slecht geïnformeerd waren. Ik weet eerlijk gezegd niet of de overheid zo’n grote rol moet spelen in de industriepolitiek. In Zweden hebben ze dat van oudsher heel anders gedaan. Daar is altijd een hele grote rol weggelegd voor investeerders; niet als machthebbers, maar wel als katalysatoren en vooral als financiers. Die investeerders kijken er toch heel anders tegenaan dan de overheid of banken.
Dat is wel apart. In Nederland hebben we het steeds over de triple helix: bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In feite zegt u: ja, die triple helix is cruciaal, maar dan met investeerders in plaats van de overheid. Een andere drie-eenheid dus?
Ja, inderdaad. Met sterke integratie. Zeker als je een klein land bent. In Zweden is er weinig overheid bemoeienis, maar wel een hele grote invloed van investeerder families die samenwerken met banken. De Wallenberg familie heeft altijd hele grote belangen gehad, en nog steeds, in veel Zweedse industrieën. Dank aan Saab, Volvo, Assa Abloy, Astra Zeneca, ABB, Wärtsila, Electrolux. Mijn visie is dat dat veel beter werkt dan een rol van de overheid. Philips, Stork, Fokker, de Schelde, in Nederland moesten ze allemaal regelmatig naar het ministerie van Economische Zaken. Voor beslissingen of om hun hand op te houden.
Is er wel voldoende aandacht en interesse voor de industrie bij de Nederlands overheid?
‘Dat is een goede, maar lastige vraag. Ik vind van niet, maar ik kom uit de industrie en houd van de industrie. Ik geloof ook heilig in het grote belang van de industrie voor de economie. Maar je zag in de Fokkertijd, en in feite ook daarvoor met het RSV debacle (Rijn Schelde Verolme) en daarna bij de Schelde, dat de industriepolitiek in die tijd dood was. En nog steeds niet helemaal herrezen is. Ja, we hebben nu ASML, maar dat is eerder ondanks, dan dankzij de overheid. Nederland is en blijft toch een beetje een handelsland. Wij hebben advocaten en partners van Ernst & Young een grotere status gegeven dan ingenieurs. Maar als het gaat om de Solar Race, dan winnen we 7 van de 10 keer, met altijd wel de TU Delft, TU Twente of TU Eindhoven in de top 3. Dan kom ik weer op die vertaling van kennis naar kunde. Daar moeten we meer aandacht en geld aan besteden. Ik zou zeker inzetten op de industrie. Maar wel met een grotere integratie van de 3-eenheid en met de focus op samenwerking. Ik bedoel de 3-eenheid van wetenschap, bedrijven en geld. Het Zweedse model met een Europees sausje.
Dan zijn we ook van meer waarde voor samenwerkingen met anderen?
‘Precies! Zeker in de huidige tijden is die Europese samenwerking cruciaal. We mogen niet dezelfde fouten maken als Fokker met Airbus. Want Airbus is een geweldig succes geworden. Een prachtig voorbeeld van Europese samenwerking, die begon met niets, Lockheed en McDonnell Douglas heeft verdreven en eenvoudig kan wedijveren met Boeing. We kunnen het dus wel degelijk in Europa.
